Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX6727

Datum uitspraak2006-05-11
Datum gepubliceerd2006-06-06
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2006/267
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het hof stelt vast dat [appellanten] diverse leningen zijn aangegaan op een tijdstip waarop zij geen van beiden een vaste baan hadden, maar werkten op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Ter terechtzitting heeft [appellant sub 1] omtrent het aangaan van de leningen verklaard dat zij in 2002 een bedrag van € 20.000,- bij de ABN Amro Bank hebben geleend, onder andere om schulden die waren ontstaan als gevolg van hun bruiloft te betalen. De daaraan verbonden aflossingsverplichting bedroeg ongeveer € 300,- per maand. Vervolgens hebben zij nog een lening afgesloten bij PrimeLine voor de aankoop van een bankstel, alsmede een lening bij Comfort Card waarmee zij tapijt en behang hebben gekocht. Het hof is van oordeel dat [appellanten] reeds ten aanzien van het ontstaan van deze schulden niet te goeder trouw zijn geweest, omdat ten tijde van het aangaan van voornoemde leningen hun inkomen niet voor langere tijd was zekergesteld. Aldus bestond onvoldoende zekerheid dat zij aan de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen zouden kunnen blijven voldoen. [appellante sub 2] werkte toen immers op basis van een jaarcontract en [appellant sub 1] verrichte uitzendwerk op basis van arbeidscontracten met, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting, een maximale arbeidsduur van zes maanden. Dat zij verwachtten bij hun toenmalige werkgevers in vaste dienst te kunnen treden doet aan het voorgaande niet af. Bovendien zijn [appellanten] opnieuw een lening aangegaan bij DSB Bank (voor de aankoop van artikelen voor een kinderkamer en andere inboedel tot een bedrag van ongeveer € 4.000,-) op een moment waarop [appellante sub 2] geen betaalde baan meer had en [appellant sub 1] enkel uitzendwerk verrichtte. Ten tijde van het aangaan van die lening gold eens te meer dat [appellanten] wisten of hadden moeten begrijpen dat zij niet meer in staat zouden zijn de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen te voldoen. Het hof acht het aangaan van deze nieuwe betalingsverplichting daarom onverantwoord, zodat [appellanten] evenmin te goeder trouw waren ten aanzien van het ontstaan van de daaruit voortvloeiende schuld.


Uitspraak

11 mei 2006 eerste civiele kamer rekestnummer 2006/267 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: [appellant sub 1] en [appellante sub 2], echtgenoten, beiden wonende te [woonplaats], appellanten, procureur: mr. M. Cornelisse. 1 Het geding in eerste aanleg Bij vonnis van de rechtbank te Arnhem van 13 maart 2006 is het verzoek van appellanten (hierna te noemen: [appellanten]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dit vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij ter griffie van het hof op 20 maart 2006 per fax ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en hebben zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, hen alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brief met bijlagen van 27 maart 2006 van de procureur. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 mei 2006, waarbij [appellant sub 1] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal. [appellante sub 2] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen. 3 De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld. 3.2 [appellanten] stellen in hoger beroep dat [appellante sub 2] ten tijde van het afsluiten van de leningen niet werkte via een uitzendbureau, maar op basis van een jaarcontract. [appellant sub 1] werkte op dat moment wel via een uitzendbureau en had toen een halfjaarcontract. Hun inkomsten waren, totdat de arbeidsovereenkomsten van hen beiden niet werden verlengd, zodanig dat zij de leningen konden aangaan en aan de daaruit voortvloeiende aflossingsverplichtingen konden voldoen. Omdat geen redenen aanwezig waren om aan te nemen dat de arbeidsovereenkomsten niet zouden worden verlengd, konden [appellanten] redelijkerwijs niet voorzien dat zij op enig moment niet meer in staat zouden zijn de afgesloten kredieten te betalen. De daaruit voortvloeiende schulden zijn derhalve niet verwijtbaar ontstaan. Bovendien heeft geen van de geldverstrekkers redenen gezien om een aangevraagde lening te weigeren. 3.3 Het hof stelt vast dat [appellanten] diverse leningen zijn aangegaan op een tijdstip waarop zij geen van beiden een vaste baan hadden, maar werkten op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Ter terechtzitting heeft [appellant sub 1] omtrent het aangaan van de leningen verklaard dat zij in 2002 een bedrag van € 20.000,- bij de ABN Amro Bank hebben geleend, onder andere om schulden die waren ontstaan als gevolg van hun bruiloft te betalen. De daaraan verbonden aflossingsverplichting bedroeg ongeveer € 300,- per maand. Vervolgens hebben zij nog een lening afgesloten bij PrimeLine voor de aankoop van een bankstel, alsmede een lening bij Comfort Card waarmee zij tapijt en behang hebben gekocht. Het hof is van oordeel dat [appellanten] reeds ten aanzien van het ontstaan van deze schulden niet te goeder trouw zijn geweest, omdat ten tijde van het aangaan van voornoemde leningen hun inkomen niet voor langere tijd was zekergesteld. Aldus bestond onvoldoende zekerheid dat zij aan de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen zouden kunnen blijven voldoen. [appellante sub 2] werkte toen immers op basis van een jaarcontract en [appellant sub 1] verrichte uitzendwerk op basis van arbeidscontracten met, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting, een maximale arbeidsduur van zes maanden. Dat zij verwachtten bij hun toenmalige werkgevers in vaste dienst te kunnen treden doet aan het voorgaande niet af. Bovendien zijn [appellanten] opnieuw een lening aangegaan bij DSB Bank (voor de aankoop van artikelen voor een kinderkamer en andere inboedel tot een bedrag van ongeveer € 4.000,-) op een moment waarop [appellante sub 2] geen betaalde baan meer had en [appellant sub 1] enkel uitzendwerk verrichtte. Ten tijde van het aangaan van die lening gold eens te meer dat [appellanten] wisten of hadden moeten begrijpen dat zij niet meer in staat zouden zijn de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen te voldoen. Het hof acht het aangaan van deze nieuwe betalingsverplichting daarom onverantwoord, zodat [appellanten] evenmin te goeder trouw waren ten aanzien van het ontstaan van de daaruit voortvloeiende schuld. 3.4 Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is onvoldoende gebleken. 4 De beslissing Het hof, rechtdoende in hoger beroep: bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 13 maart 2006. Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Brink, Van der Kwaak en Van der Weij en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2006.